Zondagskind

De dag dat ik in trainingspak
mijn auto was, een witte Saab,
die dag zal ik gelukkig zijn.

Die avond brandt de open haard,
het vuur danst in de rode wijn.
Ik drink en lees het Handelsblad.

Die nacht ontbreekt de maneschijn.
Sneeuw kalmeert de grote stad,
de vlokken gaan met zang gepaard.

’s Morgens vroeg loop ik in pak,
op blote voeten naar het raam.
Zonlicht breekt door het gordijn.

Ik zie de vlakte van het plein:
mijn auto zal niet witter zijn.
Mijn sokken trek ik later aan.

* * *

De ondertoon van dit vers heeft te maken met mijn voorliefde voor het werk van Hendrik van Teylingen, met name voor zijn vroege gedichten uit de periode tussen 1964 en 1973. Een voorbeeld daarvan is ‘Linda-Lou’:

Mijn Linda-Lou verblijft onthecht
en roerloos in een gladde kist.
Twee cent zijn op haar blik gelegd.
Naar mij wordt, lees ik hier, gedregd.

Men heeft haar lichaam opgevist
onder Terhorne, in de mist.
In kleine letters staat gezegd
wat men vermoedt en zoal gist.

Laat ze maar raden, Linda-Lou.
We weten zelf het best hoe moe
we elkaar waren – godnogtoe.

Ik vouw mijn krant op en betaal
twee Bokma’s, telefoon en maal.
Mijn hoed, mijn regenjas, mijn sjaal.

Later, toen hij zich had aangesloten bij de Hare Krishna-beweging en zich Hayeshvara Das Adhikari noemde, kritiseerde Van Teylingen zijn eerdere werk:

De mentale ontwikkeling in deze gedichten is heel barbaars. Het is puur: laat je maar gaan jongen, doe maar waar je zin in hebt. En dat kan niet. De enige beheersing die je ziet is in de vorm van het gedicht, voor de rest is het losbandigheid.

In datzelfde interview, met Johan Diepstraten en Sjoerd Kuyper, maakt hij korte metten met ‘Linda-Lou’:

Dit gedicht is niets anders dan pose, die mooiheid en zo. Linda-Lou was een badpakkenmerk, herinner ik me nog. (…) Als ik dit lees, roept het heel weinig bij me wakker. Behalve de sfeer van grote troebelheid, uitzichtloosheid, ik wist totaal niet wat dit leven voorstelde, ronddwalen, koekeloeren, benauwd zijn. Dat was het. Linda-Lou is een gedicht dat is gemaakt uit pure onwetendheid. (…) Het is een tijdelijk dingetje.

Van Teylingen hoort bij een ‘verloren generatie’ van dichters die eind jaren zestig, begin jaren zeventig debuteerden. Ook Gerrit Komrij, Gerard Reve en Hans Vlek horen daarbij, hoewel de eerste twee niet als verloren mogen gelden. Ze keerden ‘grimlachend’ terug naar traditionele vormen en namen zo afstand van verklaarde experimentelen als de Vijftigers, en van bloedserieuze traditionelen als Ida Gerhardt en Vasalis.

Advertisements

  1. i

    Hoe
    zo mooi
    alles goede
    Nacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: